Wat jonge kinderen echt kunnen in wiskunde
Leestijd 5 minuten
Inzichten uit de inspiratiesessie met prof. Wim Van Dooren (KUL) over wiskundige kerncompetenties, wiskundetaal en een ambitieus curriculum.
Tijdens een inspiratiesessie over wiskundige ontwikkeling bij jonge kinderen (4–9 jaar) lichtte professor Wim Van Dooren (KU Leuven) recente onderzoeksbevindingen toe rond wiskundige kerncompetenties, het belang van wiskundetaal en de noodzaak om al vroeg met een uitdagend curriculum te starten. Zijn inzichten komen rechtstreeks uit recente Vlaamse studies zoals WIS&Co en LEMMA, waarin kinderen over meerdere jaren worden gevolgd om te onderzoeken hoe verschillende types wiskundig denken zich ontwikkelen — vaak veel vroeger dan lang werd aangenomen.
Hieronder lees je de belangrijkste inzichten uit de inspiratiesessie. (Her)bekijk je de sessie liever? Dat kan ook! Voor slechts € 6,5 kun je je hier de opname aanschaffen.
Vroege number sense: belangrijk, maar beperkt in reikwijdte
In het kleuteronderwijs ligt de focus vaak op ‘wiskundige initiatie’, wat goed aansluit bij de huidige ontwikkelingsdoelen. Baby’s en jonge kinderen beschikken van nature al over vroege number sense: ze kunnen kleine aantallen exact bepalen, kunnen aanwijzen waar de grootste hoeveelheid ligt en koppelen al snel telwoorden aan getalbeelden en getalsymbolen. Uit cognitieve psychologie weten we dat kinderen die hierin sterk zijn, later meestal beter leren rekenen.
Toch blijkt dat interventies die specifiek number sense trainen, zoals getallenrace‑spellen of getallenlijnactiviteiten, slechts een beperkt effect hebben. De winst duurt kort, blijft doorgaans binnen datzelfde domein en transfereert nauwelijks naar andere wiskundetaken. tegelijk is wiskunde veel breder dan alleen tellen en rekenen.
Wiskunde als wetenschap van structuren en patronen
Een belangrijk punt uit de sessie is dat wiskunde in essentie draait om structuren en patronen, en dus niet louter om cijfers of sommen. Wanneer kinderen echte wiskundige redeneringen maken, vertrekken ze niet langer vanuit concrete getallen maar vanuit relaties die altijd gelden, los van de concrete getallen. Rekenstrategieën die kinderen aanleren, werken daarom omdat er wiskundige principes achter zitten — en niet omdat het trucjes zijn.
Lang werd gedacht dat jonge kinderen nog niet klaar waren om op die manier te denken. Recente bevindingen tonen echter aan dat kleuters en kinderen uit de eerste graad veel complexer kunnen redeneren dan verwacht. Het WIS&Co‑onderzoek, waarin verschillende klassen met materiaal en voor‑ en nametingen vijf jaar lang werden gevolgd, bevestigt dit. Kinderen blijken niet alleen statische structuren te kunnen herkennen, maar ook veranderende patronen te doorzien - hoewel dat laatste beduidend moeilijker is. Kinderen die hier sterk in zijn, ontwikkelen bovendien vaak sneller numerieke vaardigheden.
Opvallend is ook dat sommige kinderen spontane aandacht hebben voor aantallen, patronen of getalsymbolen in hun omgeving. Dat blijkt een sterke voorspeller voor latere wiskundige groei. Een kind dat bijvoorbeeld spontaan een patroon maakt tijdens een bouwopdracht, toont daarmee al vroeg een vorm van wiskundig denken die waardevol is voor latere ontwikkeling.
Proportioneel redeneren: veel vroeger mogelijk dan gedacht
Vroeger werd aangenomen dat verhoudingsrekenen pas rond 12 jaar haalbaar was. Nieuwe studies tonen echter aan dat kinderen al in de kleuterklas en het eerste leerjaar elementaire vormen van proportioneel redeneren kunnen maken. In het WIS&Co‑onderzoek kregen kinderen taken met telbare en ontelbare hoeveelheden, zoals poppetjes die een bepaald aantal druifjes eten. Zelfs bij eenvoudige verhoudingsopgaven losten al 71% van de kinderen de eenvoudigste varianten correct op.
De fouten die kinderen maken zijn bijzonder informatief. Sommige fouten tonen nog een additieve redenering, andere zijn complexer — zoals many‑to‑one correspondentie. Vooral die laatste categorie blijkt interessant: kinderen die die strategie consequent toepassen (ook al is ze fout), zijn vaak net de leerlingen die later sneller groeien in wiskundige vaardigheden. Dat betekent dat ook ‘geavanceerde fouten’ waardevol inzicht geven in het denkproces.
Het onderzoek volgt leerlingen jaar na jaar en toont dat bepaalde kinderen al tegen het derde leerjaar de hoogste niveaus halen in proportioneel denken. Een vroege voorsprong in patroonvaardigheid of wiskundige redenering blijkt hierin een sterke voorspeller.
Daarnaast toonde een lessenreeks bij het begin van de tweede graad aan dat er merkbare vooruitgang is, ook bij leerlingen die bij de start zwakker scoorden. Deze reeks van zeven lessen over verhoudingen vond plaats in de eerste weken van het tweede leerjaar - nog vóór de tafels aangeleerd worden. Daarin werkten kinderen met eenheidsratio’s en verhoudingstabellen, en konden ze zelfs eenvoudige functionele relaties noteren.
Kansrekenen: kinderen begrijpen (on)zekerheid al vroeg
Kansrekenen is niet alleen wiskundig relevant en van groot belang in wetenschappelijk redeneren, maar het speelt ook een rol in het dagelijks leven - denk maar aan hoe we tijdens de coronapandemie met kansuitspraken geconfronteerd werden. Kinderen kunnen verrassend vroeg redeneren over zekerheid en onzekerheid, onder meer in taken met bessen of vogeltjes waarbij ze moeten inschatten welke keuze eerlijker is of welke kans groter is.
Jonge kinderen presteren eerst beter bij congruente situaties (waar het grootste aantal lekkere bessen ook de grootste kans geeft), maar slagen later ook in incongruente situaties. In de derde kleuterklas kiest nog een aanzienlijk deel van de klas fout bij zekerheidsopgaven, terwijl bijna alle leerlingen in het eerste leerjaar het principe begrijpen. En dit zonder hierin te zijn onderwezen, maar als gevolg van een natuurlijke ontwikkelingssprong. Taal speelt hierin een rol: woorden als ‘zeker’ en ‘onzeker’ gebruiken we in het dagelijks leven soms anders dan in wiskundige context.
Wiskundetaal: sterke voorspeller van wiskundige prestaties
In het LEMMA‑onderzoek dat nog volop loopt, wordt specifiek gekeken naar de rol van taal. Zowel algemene taalvaardigheid als wiskundetaal worden getest doorheen verschillende leerjaren. De voorlopige resultaten tonen dat wiskundetaal een veel sterkere voorspeller is van wiskundeprestaties dan algemene taalvaardigheid. Begrippen zoals helft, dubbel, eerlijk verdeeld, 2 keer zoveel of herhaling enz. blijken essentieel om wiskundige relaties te kunnen beschrijven en begrijpen.
Interessant is dat wiskundetaal nauwelijks afhankelijk is van de thuistaal van kinderen. De sociaal‑economische status daarentegen speelt wél een grote rol, omdat die mede bepaalt aan welke taalrijkdom en welke concepten kinderen thuis worden blootgesteld. Recente gegevens suggereren bovendien dat kinderen die de wiskundige termen in hun thuistaal beheersen, daar ook in het wiskundige denken voordeel uit halen.
Deze onderzoeken lopen nog, maar worden verdergezet tot in het derde leerjaar, en zelfs gekoppeld aan TIMSS2027 in het vierde leerjaar.
Aansluiting bij de nieuwe minimumdoelen
Kernboodschappen uit de sessie
- Kinderen maken op jonge leeftijd al belangrijke stappen in complexe wiskundige vaardigheden.
- De verschillende domeinen (patronen, verhoudingen, kans, number sense) zijn sterk met elkaar verbonden.
- Stimulerend en goed vormgegeven materiaal kan deze ontwikkeling versterken.
- Wiskundetaal is cruciaal — belangrijker dan de algemene taalvaardigheid.
- Spontane aandacht voor hoeveelheden, patronen of verhoudingen speelt een grote rol in latere groei.
De inspiratiesessie (her)bekijken?
Wil je Prof. Wim Van Dooren zelf aan het woord horen in zijn inspiratiesessie? Klik dan op de knop hieronder. Voor slechts € 6,5 schaf je je de opname aan en kun je hem bekijken.