Executieve functies in de klas
Leestijd 4 minuten
Kijken met een andere bril
Waarom executieve functies zo belangrijk zijn in de klas
Executieve functies (EF) zijn de controlefuncties van het brein die onze gedachten, emoties en gedrag sturen. We gebruiken ze voortdurend, maar bij kinderen zijn ze nog volop in ontwikkeling, zelfs tot ver na de adolescentie. Je kan executieve functies niet rechtstreeks observeren, maar je ziet ze wél in gedrag.
Denk maar aan:
- zelfstandig aan het werk blijven
- op je beurt wachten
- instructies onthouden
- je boekentas maken zonder iets te vergeten
- omgaan met emoties na een conflict op de speelplaats
Door als leerkracht bewust een EF‑bril op te zetten, leg je een stevige basis voor zelfsturing en leren leren.
Aandacht: geen executieve functie, wél een cruciale voorwaarde
Aandacht is strikt genomen geen executieve functie, maar een noodzakelijke voorwaarde om EF te kunnen inzetten. Een belangrijk onderscheid is:
- Aandacht vangen – de leerkracht is aan zet
- Aandacht richten – de leerkracht is aan zet
- Aandacht behouden – de leerling is aan zet, de leerkracht zorgt voor een ondersteunende context
Als leerkracht kan je die context mee vormgeven door:
- duidelijke klasafspraken
- een doordachte klasopstelling
- korte, heldere instructies
- visuele ondersteuning
Concrete tools uit de praktijk
- Zintuigkaartjes (kleuters): pictogrammen van zintuigen (ogen, oren …) om te verbeelden welke aandacht nodig is tijdens een activiteit
- De doelenberg (lager onderwijs): een visueel hulpmiddel om doelgericht te werken rond zelfsturing en werkhouding, met ruimte voor zelfinschatting door leerlingen
De drie basis executieve functies
Er zijn drie kern- of basis executieve functies.
-
Impulscontrole (inhibitie)
Dit is het vermogen om:
- ongepast gedrag te onderdrukken
- afleidende prikkels te negeren
- eerst te denken en dan te doen
Signalen dat dit nog moeilijk loopt, zijn onder andere:
- friemelen en wiebelen
- niet kunnen wachten op de beurt
- praten op ongepaste momenten
- blijven doorgaan zonder te stoppen
Tijdens de sessie verwees Heidi naar het bekende marshmallow‑experiment (Mischel, 1970), waaruit bleek dat kinderen spontaan strategieën inzetten om zichzelf te helpen wachten, maar het vraagt van hen wel inspanning. Dat onderstreept hoe belangrijk het is om tijd expliciet te maken, strategieën te bespreken en kinderen te motiveren (“Ik weet dat je dit kan”).
-
Werkgeheugen
Het werkgeheugen laat leerlingen toe om informatie kort vast te houden én ermee te werken. Op school doen we hier voortdurend een beroep op, bijv.:
- tussenstappen in een rekenoefening
- instructies onthouden
- materialen gaan halen na uitleg
→ Hoe kan je het werkgeheugen ondersteunen?
- voorkennis activeren
- instructies opsplitsen en visueel ondersteunen
- woord én beeld combineren
- herhaling inbouwen
- geheugensteuntjes aanbieden
-
Cognitieve flexibiliteit
Cognitieve flexibiliteit is het vermogen om:
- te schakelen tussen taken
- om te gaan met veranderingen
- hetzelfde vanuit een andere invalshoek te bekijken
→Ondersteunen kan door:
- te werken met dubbele tijdsignalen
- expliciet ruimte te maken voor ‘omdenken’
- de stop‑denk‑doe‑aanpak te modelleren
Hogere orde executieve functies: groeien met de jaren
Naast de basis EF zijn er ook hogere orde executieve functies, die later in de ontwikkeling sterker worden en vaak verschillende basisvaardigheden combineren, zoals:
- plannen en organiseren
- probleemoplossend denken
- gedrag evalueren
Emotieregulatie: een ‘warme’ executieve functie
Emotieregulatie helpt leerlingen om gevoelens te hanteren, bijvoorbeeld na een ruzie toch weer te kunnen focussen op de les. Ondersteuning kan via:
- emotietaal aanleren
- coping strategieën inoefenen
- ruimte maken om te benoemen wat je voelt
Executieve functies ondersteunen: geen apart programma nodig
Binnen het Odisee onderzoeksproject Zet je EF‑bril op (https://www.ef-bril.be/) werd bewust niet gekozen voor geïsoleerde oefenprogramma’s. Onderzoek toont dat de impact veel groter is wanneer het gericht ondersteunen van EF geïntegreerd worden in de dagelijkse klaswerking.
Er zijn drie belangrijke pijlers:
- EF‑interacties (grootste leerwinst)
- eigen zelfsturend gedrag luidop verwoorden (modelleren)
- tonen hoe jij zelf plant, pauzeert of emoties reguleert
- spiegelspraak gebruiken: benoemen wat je een leerling ziet doen zodat hij zichzelf kan bijsturen
- EF‑groeiactiviteiten
- korte, doelgerichte tussendooractiviteiten
- reflecteren op aanpak (“Hoe heb je dat onthouden?”)
- spelenderwijs oefenen binnen de leerstof
- EF‑vriendelijke klasorganisatie
- afleidingen bewust beperken
- routines helder houden
- een veilige leraar‑leerlingrelatie als basis
Conclusie: kleine ingrepen, grote impact
Executieve functies ontwikkelen zich langzaam en niet bij elk kind op hetzelfde tempo. Net daarom maakt jouw rol als leerkracht het verschil. Door:
- bewust te modelleren
- taal te geven aan zelfsturing
- te ondersteunen waar nodig en los te laten waar het kan
help je leerlingen bouwen aan vaardigheden die verder reiken dan je klaslokaal. Een EF‑bril vraagt geen extra lesuren of dure methodes, maar wel bewuste keuzes in je dagelijkse praktijk. En precies daarin schuilt de kracht.