null

Taalleerkansen voor meertalige leerlingen

Leestijd 3 minuten

Categorie(ën):
[VL-L] Taalleerkansen voor meertalige leerlingen
Tijdens de laatste online inspiratiesessie van 2025 zoomde dr. Kirsten Schraeyen (Thomas More/ KUL) in op één centrale vraag: hoe geef je meertalige leerlingen in het secundair écht eerlijke taalleerkansen? Aan de hand van recent onderzoek en herkenbare klasvoorbeelden liet ze zien hoe gerichte taalondersteuning niet alleen Nederlandse taalleerders, maar meteen de hele klasgroep vooruithelpt.

Van “meertalige leerling” naar “Nederlandse taalleerder”

Kirsten vertrekt bewust van de term “Nederlandse taalleerder” voor leerlingen die de schooltaal nog volop verwerven, ongeacht hun achtergrond, thuistaal of instapmoment in het onderwijs. Het gaat om een zeer heterogene groep: simultane en sequentiële meertaligen, leerlingen bij wie Nederlands soms al de derde of vierde taal is, en jongeren die zich mondeling staande houden maar op het vlak van school- en vaktaal nog grote stappen moeten zetten.

Die diversiteit betekent ook dat er geen “one size fits all”-aanpak bestaat. De sleutel ligt in het in kaart brengen van individuele taalnoden en het bewust combineren van verschillende bouwstenen in de klaspraktijk.

Zes bouwstenen voor effectieve taaltrajecten

In haar onderzoek werkte Kirsten met collega’s aan taaltrajecten.be,, waar een grootschalige umbrella review uitmondde in zes bouwstenen voor effectieve taaltrajecten van kleuter tot en met secundair onderwijs. Die bouwstenen benadrukken onder meer:

  • een meerlagig ondersteuningsmodel, met een sterke basisaanpak in de klas en extra ondersteuning in kleine groepen waar nodig
  • een logische, stapsgewijze opbouw waarin deelvaardigheden (technisch lezen, woordenschat, grammatica, begrijpend lezen, schrijven) steeds in samenhang worden ontwikkeld.
  • expliciete aandacht voor zowel mondelinge als schriftelijke taalvaardigheid, in alle vakken en niet alleen in de les Nederlands.

Veel goedbedoelde initiatieven vallen uit de boot omdat ze niet duurzaam, niet intensief of onvoldoende intentioneel zijn. De leerwinst wordt pas echt groot wanneer scholen de verschillende bouwstenen combineren en verankeren in een gedeelde visie.

Woordenschat, lezen en schrijven: één verweven geheel

Een rode draad doorheen de sessie was de hardnekkige uitdaging van woordenschat voor Nederlandse taalleerders. Deze leerlingen missen niet alleen basiswoordenschat, maar vooral ook rijke school- en vaktaal, waardoor ze klasgesprekken moeilijker kunnen volgen en minder profiteren van impliciet leren.

Kirsten toonde hoe woordenschat, technisch lezen, begrijpend lezen en schrijven nauw met elkaar verweven zijn. Voor een sterke argumentatieve schrijfopdracht heb je bijvoorbeeld eerst mondeling taalrepertoire nodig: een mening kunnen vormen, die mondeling onderbouwen en pas daarna op papier zetten met passende signaalwoorden en een correcte zinsbouw.

Kleine ingrepen, grote taalleerkansen

Wat veel deelnemers aansprak, waren de heel concrete voorbeelden om van een “gewone” schrijfopdracht een rijk taalleertraject te maken.

  • Start met een korte, authentieke tekst rond een prikkelende vraag (bijvoorbeeld “Wanneer is het oké om te liegen?”) en lees die samen of in duo’s om meteen aan technisch en begrijpend lezen te werken.
  • Licht doelwoorden uit, geef leerlingvriendelijke definities, oefen met voorbeeldzinnen en laat leerlingen de woorden actief gebruiken in mondelinge vraag-en-antwoordactiviteiten.
  • Verbind doelwoorden met morfologie (voor- en achtervoegsels zoals “on-” of “in-”) en met thuistalen via woordmuren of woordposters, zodat het betekenisnetwerk van elk woord groeit.
Daarna kun je standpunten voorbereiden in kleine groepjes, een klasdebat organiseren mét taalsteun, en pas op het einde de eigenlijke schrijfopdracht laten uitvoeren, bijvoorbeeld in de vorm van een opiniestuk voor de schoolkrant. Zo benut je elke fase – van lezen tot praten en schrijven – als taalleerkans.

Meerlagige ondersteuning in alle vakken

Kirsten pleit ervoor om te vertrekken van een sterke basisaanpak in de hele klas (laag 1) en pas bij blijvende noden te schakelen naar gerichte ondersteuning in kleine groepen binnen de klas (laag 2). Er wordt vandaag nog te snel doorverwezen naar aparte taalklassen (laag 3), vaak op basis van brede labels in plaats van individuele taalprofielen.

Taalondersteuning hoeft bovendien niet beperkt te blijven tot het vak Nederlands: ook zaak- en praktijkvakken bieden veel kansen om doelgericht aan woordenschat, lezen en schrijven te werken. Cruciaal is dat het team samenwerkt vanuit een gedeelde visie en stap voor stap bouwt, met ruimte voor herhaling en transfer.