null

De dyslexieparadox

Leestijd 5 minuten

Categorie(ën):
[VL-L] De dyslexieparadox

Voorspellen en voorkomen is belangrijker dan ooit

Dyslexie blijft één van de meest onderzochte en tegelijk meest misbegrepen leerstoornissen. Professor Pol Ghesquière, expert in leerstoornissen en verbonden aan de KU Leuven, wijdde tijdens de inspiratiesessie van 15 januari 2026 zijn lezing aan de predictie en preventie van dyslexie bij jonge kinderen. Zijn boodschap was duidelijk: de sleutel tot het vermijden van hardnekkige leesproblemen ligt jaren vóór het eerste leerjaar.

Wat is dyslexie echt?

Dyslexie is geen verzameling typische fouten, geen gevolg van een gebrek aan motivatie en al zeker geen visueel probleem. Het gaat over hardnekkige problemen in nauwkeurigheid en/of snelheid van lezen en spellen, waarbij automatisatie onvoldoende op gang komt, ondanks gerichte instructie en oefening.

Fouten die kinderen met dyslexie maken zijn niet uniek: ze lijken op de fouten van andere kinderen, maar blijven veel langer en frequenter aanwezig.

De impact gaat verder dan het technisch lezen:

  • begrijpend lezen wordt moeilijker omdat alle energie naar decoderen gaat;
  • luisteren en noteren tegelijkertijd is belastend;
  • lawaairige omgevingen zijn extra uitdagend;
  • psychosociale gevolgen - zoals faalangst en verlies van zelfvertrouwen - duiken helaas vaak op.

De paradox: te late diagnose, te laat ingrijpen

Eén van de centrale concepten uit de lezing is de zogenaamde dyslexieparadox.

→ De beste periode om effectieve ondersteuning te bieden, ligt in de derde kleuterklas en het begin van het eerste leerjaar. 
→ Maar de diagnose dyslexie wordt pas veel later gesteld - meestal eind tweede of begin derde leerjaar, wanneer hardnekkigheid kan worden vastgesteld.

Dat betekent dat we kinderen moeten helpen voor we zeker weten dat ze dyslexie hebben. En daarvoor hebben we goede voorspellers nodig.

Welke factoren voorspellen dyslexie?

Uit decennia onderzoek komt een set van robuuste voorspellers naar voren. Geen enkele predictor is perfect, maar samen geven ze een betrouwbaar risicoprofiel.

  1. Fonologisch bewustzijn

Dit is de vaardigheid om te reflecteren over en te manipuleren met klanken.

Van eenvoudig naar complex: rijmen, syllabisch bewustzijn (woorddelen) en foneembewustzijn (individuele klanken, bv. Wat hoor je eerst in "boek"?)
Vooral dat laatste blijkt bijzonder voorspellend. Tot 36% van leesverschillen in de eerste leerjaren hangt hiermee samen.

  1. Letterkennis

Hoe meer letters kinderen kennen vóór ze leren lezen, hoe groter hun voorsprong. Deze predictor verklaart zelfs ongeveer 42% van de latere leesvariatie.

Interessant: Vlaamse kleuters kennen tegenwoordig meer letters dan pakweg 15 jaar geleden. Een evolutie die preventieprogramma’s alleen maar ondersteunt.

  1. Benoemsnelheid (RAN: RapidAutomatizedNaming)

De snelheid waarmee kinderen bekende stimuli (objecten, kleuren, cijfers, later letters) kunnen benoemen. Dit meet de efficiëntie van de link tussen visuele herkenning en verbale toegang.

In de derde kleuterklas voorspelt dit vooral latere woordherkenning in het derde en vierde leerjaar.

  1. Associatief leren

Het vermogen om willekeurige koppelingen te onthouden, zoals namen van onbekende figuren.

Omdat lezen ook een willekeurige koppeling is (een letter → een klank), hangt een zwakkere associatieve leercapaciteit sterk samen met latere leesproblemen.

  1. Erfelijkheid

Dyslexie kent een hoge familiale overdraagbaarheid (tot 50% in de mannelijke lijn). In studies blijkt dat één op drie kleuters met een dyslectische ouder of broer/zus later ook dyslexie ontwikkelt.

Dit maakt ouderinformatie waardevol en relevant - scholen mogen die, met toestemming, zeker betrekken om risico’s vroeg te detecteren.

Kunnen we dyslexie echt voorspellen?

In absolute zin kunnen we dyslexie niet volledig voorspellen, neen. Maar we kunnen het risico wél betrouwbaar inschatten, en dat is precies wat nodig is om preventieve stappen te ondernemen.

En belangrijker nog: dyslexie is niet deterministisch. Sterke instructie, ruime oefenkansen en doelgerichte interventies kunnen het verloop aanzienlijk beïnvloeden.

Kunnen we dyslexie voorkomen?

Hoewel we dyslexie als aandoening niet “wegtrainen”, kunnen we de ernst en het tijdstip van de problemen wél drastisch verminderen. En daar draait preventie om.

Waarom preventie werkt:

  • Je haalt het leesstartniveau omhoog.
  • Je verkleint de kloof met klasgenoten.
  • Je voorkomt de typische neerwaartse spiraal van frustratie en faalangst.
  • Je reduceert het aantal leerlingen dat later ernstige problemen ontwikkelt.

Internationaal onderzoek toont dat preventieve programma’s het aantal ernstige leesproblemen kunnen halveren.

Wat echt werkt: de effectieve preventieve aanpakken

  1. Klassieke fonologische training

Denken aan rijmspelletjes en syllabespelletjes. Dit is wel nuttig, maar heeft maar een beperkt effect - vooral voor risicoleerlingen.

  1. Fonologisch bewustzijn + letter-klankkoppelingen

Dit heeft een veel sterker effect, want je combineert klankinzicht met de eerste stappen van echt lezen.

Hier moet je opletten voor het Mattheüseffect. Als je alle leerlingen hier extra laat op oefenen, dan zullen de sterkste leerlingen hier het meest van profiteren, waardoor onderlinge verschillen kunnen vergroten.

  1. Gerichte training voor risicokinderen

Dit is waar professor Ghesquière voor pleit nl. niet elk kind dezelfde intensieve training geven, maar vooral de kleuters met een risico intensief ondersteunen. Dat is efficiënt én het voorkomt het vergroten van onderlinge verschillen in de klas.

  1. Digitale programma’s,zoalsBouw!

Professor Ghesquière had het tijdens zijn lezing o.a. over de digitale programma’s Bouw!, het preventieve leesinterventieprogramma vanaf de 3de kleuterklas met focus op klank-tekenkoppeling, fonemisch bewustzijn, adaptiviteit en persoonlijke tutoren én Graphogame dat een game-based programma is waarmee letters en letterklanken geoefend worden en dat zelfstandig kan gespeeld worden.

Onderzoek toont dat deze programma’s:

  • letterkennis verhogen
  • foneembewustzijn versterken
  • de eerste leeshandeling ondersteunen
  • technische leesproblemen verminderen
  • zorgen voor een daling van de leerlingen in de groep ernstige dyslexie 

Met name scholen die Bouw! structureel inzetten, rapporteren in onderzoek een daling van de leesproblemen met ruim 60% en van ernstige dyslexie van 3% naar ongeveer 1%.

Verschilt dyslexie tussen Vlaanderen en Nederland?

In beide landen komt dyslexie ongeveer even vaak voor. De verschillen zitten vooral in de manier van diagnostiek, niet in de kinderen zelf. Zo hanteren landen andere percentielgrenzen (bijvoorbeeld 7, 10 of 15), waardoor het aantal diagnoses verschilt. De onderliggende leesproblemen blijven echter dezelfde, net als de bewezen effectiviteit van preventieve interventies zoals Bouw!, dat oorspronkelijk in Nederland werd ontwikkeld.

En hoe zit het met andere risicogroepen?

De preventieve programma’s blijken even waardevol voor kinderen zonder dyslexie, maar met andere risico’s:

  • meertalige kinderen
  • kinderen met lagere taalblootstelling
  • leerlingen met lagere IQ-profielen
  • kinderen met taalontwikkelingsstoornissen (TOS)
  • leerlingen met ADHD of DCD

Ook voor hen werkt het versterken van letterkennis, fonologisch bewustzijn en elementaire leeshandeling bijzonder ondersteunend. Sommige programma’s worden zelfs met succes gebruikt in het buitengewoon onderwijs (Type 2).

Motoriek en dyslexie: wel relevant, geen oorzaak

Motorische achterstand veroorzaakt geen dyslexie. Wel kan schrijfmoeilijkheid de leerervaring bemoeilijken. Therapie is dus waardevol, maar het traint niet de leesvaardigheid zelf - of zoals Ghesquière het formuleerde: “Train je een dyslect, dan wordt het een lenige dyslect.”

Conclusie: tijd voor systematische én gerichte preventie

De boodschap uit deze inspiratiesessie is helder: Wachten tot kinderen falen, helpt niemand!

De beste aanpak:

  • begin in de tweede kleuterklas of begin derde kleuterklas met screening van letterkennis, foneembewustzijn en RAN (Rapid Automatized Naming);
  • combineer dat met kennis over erfelijke factoren;
  • zet gerichte, speelse, systematische interventie in bij risicoleerlingen;
  • gebruik bewezen digitale programma’s die de elementaire leeshandeling trainen;
  • en blijf inzetten op motivatie, succeservaringen en sociaal-emotioneel welzijn.

We kunnen dyslexie niet wegtoveren - maar we kunnen veel kinderen behoeden voor jarenlange worsteling, door hen op het juiste moment de juiste ondersteuning te geven.