Beleidsvisie van de minister op onderwijsuitdagingen
Leestijd 10 minuten
Exclusief interview met Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir - 5 januari 2026
Ontdek in dit unieke vraaggesprek van 17 scherpe vragen hoe minister Demir het onderwijs in 2026 verder richting geeft: van haar voornemen om de lat hoog te leggen tot haar visie op leerproblemen. Van AI in de klas, evidence-based methodes, een sterk leesbeleid tot erkenning voor leerkrachten. Wat houdt de minister wakker? Je leest haar visie in dit uitgebreide interview. Neem er even een goede kop koffie bij en duik erin!
Het is vandaag 5 januari, hét moment van goede voornemens. Wat is uw belangrijkste voornemen voor het onderwijs in het komende jaar?
Mijn belangrijkste voornemen is om samen met scholen en leerkrachten opnieuw scherp te stellen waar onderwijs voor dient: zorgen dat kinderen effectief leren en vooruitgaan.
Ik zeg dat met veel respect voor wie vandaag voor de klas staat. Ik ga wekelijks in scholen en zie enorme inzet, vaak in moeilijke omstandigheden. Zonder die mensen stond ons onderwijs er vandaag veel slechter voor.
Net daarom moeten we eerlijk zijn over wat werkt. Onderwijs kan niet alles tegelijk zijn. Zorg en begeleiding zijn belangrijk, maar de kern blijft leren: kinderen moeten iets kennen wat ze gisteren nog niet kenden.
Vorig jaar hebben we keuzes gemaakt, dit jaar voeren we ze consequent uit. De lat ligt hoog, maar daar staat stevige ondersteuning tegenover. Ik zal persoonlijk toezien op de uitvoering, op scholen zelf, en bijsturen waar nodig. We bouwen hier samen aan, stap voor stap.
Hoe wilt u dat scholen dit waarmaken en hoe kijkt u naar samenwerkingspartners?
Door scholen opnieuw houvast te geven, samen met het onderwijsveld. Met duidelijke minimumdoelen die tegen 2029 in alle basisscholen ingewerkt zijn, en met een sterke focus op kennis, Nederlands en bewezen effectieve lesmethodes.
We nemen vanaf het begin alle scholen mee, met een menukaart aan ondersteuning op maat van hun startsituatie. Pedagogische begeleidingsdiensten, lerarenopleidingen en experten ondersteunen, en 30 inspiratiescholen tonen hoe het werkt in de praktijk. Zo ontstaat een olievlek.
Samenwerkingspartners zijn welkom, maar alleen als ze scholen concreet helpen om duidelijker les te geven, sneller bij te sturen en beter om te gaan met verschillen in de klas.
Aan welk concreet resultaat wilt u op 31 december kunnen zien dat uw voornemen geslaagd is?
Er zijn duidelijke plannen en mijlpalen, maar voor mij telt ook het gevoel op het terrein. Dat schoolteams voelen: het is veeleisend, maar we gaan vooruit en we staan er niet alleen voor.
Daarnaast wil ik dit jaar stappen zetten in een sterk loopbaanpact, om het beroep van leerkracht aantrekkelijker te maken.
Welke aandacht krijgen leerlingen met leer- en ontwikkelingsproblemen in uw onderwijsbeleid?
Deze leerlingen hebben geen ander onderwijs nodig, maar meer en beter onderwijs. Voor hen zijn duidelijke instructie, herhaling en sterke didactiek cruciaal.
Ik wil vooral preventief werken. Als de basis in de klas sterk is, lopen minder leerlingen vast. Wat overblijft, is een kleinere groep met echte specifieke noden, waarvoor we gerichtere en gespecialiseerdere ondersteuning kunnen voorzien.
Inclusie betekent voor mij dat we eerst alles doen om kinderen in het gewone onderwijs mee te krijgen, met dezelfde leerdoelen voor iedereen. Extra ondersteuning waar nodig, maar geen lagere verwachtingen.
Om dat waar te maken, brengen we expertise uit het buitengewoon onderwijs dichter bij gewone scholen. In pionierscholen werken leerkrachten samen met specialisten en testen ze wat in de klas helpt. In campusscholen zitten gewoon en buitengewoon onderwijs op één plek, zodat ondersteuning sneller en dichter bij huis kan.
Voor leerlingen bij wie dat niet volstaat, blijft het buitengewoon onderwijs bestaan. Dat is nodig voor kinderen met zware en blijvende ondersteuningsnoden.
Welke minimale randvoorwaarden moet een school hebben om leerlingen met dyslexie en leeruitdagingen volwaardig te laten meedraaien?
Scholen hebben vooral twee dingen nodig: kennis en tijd. Weten wat werkt, en ruimte om extra instructie en oefenkansen te geven.
Hulpmiddelensoftware kan ondersteunen, maar nooit de basis vervangen. Zeker jonge kinderen hebben duidelijke uitleg, herhaling en structuur nodig.
Voor diepgaandere ondersteuning moeten we ook andere professionals inzetten, zoals logopedisten.
Wat vindt u vandaag nog de grootste blinde vlek in ons beleid rond leerlingen met leerstoornissen en specifieke onderwijsbehoeften?
We grijpen te snel naar labels, terwijl de basiszorg in de klas te vaak te zwak is.
Als instructie, oefening en remediëring niet systematisch genoeg zijn, trekken vooral kwetsbare leerlingen aan het kortste eind.
Eerst moeten we alles doen om zoveel mogelijk leerlingen mee te krijgen in het gewone onderwijs. Voor de kleinere groep met echte specifieke noden moeten we daarna net méér kunnen doen.
Hoe wilt u garanderen dat scholen toegang krijgen tot kwalitatieve, wetenschappelijke oplossingen?
Leerpunt speelt hierin een sleutelrol door wetenschappelijke kennis toegankelijk te maken voor de klaspraktijk.
Pedagogische begeleidingsdiensten helpen die kennis te verspreiden en te verankeren in scholen.
Vandaag circuleren nog te veel onderwijsmythes, zoals leerstijlen en meervoudige intelligentie. Ik wil scholen wapenen met kennis, zodat keuzes gebaseerd zijn op onderzoek, niet op ideologie.
In welke mate geeft u ruimte aan onderzoek en praktijkorganisaties om evidence-based werken in scholen waar te maken?
Heel erg. Als we evidence-informed willen werken, dan heb je net twee krachtige motoren nodig: onderzoek en praktijk.
Universiteiten en hogescholen zie ik als een krachtige motor voor onderwijsinnovatie: zij helpen juist om te onderscheiden wat echt werkt en voor wie, en onder welke voorwaarden. Maar implementatie gebeurt in scholen, en daar zijn praktijkorganisaties en pedagogische begeleiders cruciaal. Ik wil dus geen of-of, maar en-en.
En als een school merkt dat een private partner of praktijkorganisatie extra meerwaarde kan bieden en ze willen dit met eigen middelen financieren, dan vind ik dat oké, zolang het kwaliteitsvol is en binnen een helder kader past. De overheid moet scholen net helpen om het kaf van het koren te scheiden, zodat evidence-based een standaard kan worden.
Overweegt u om kwaliteitscriteria en erkenningskanalen te voorzien waarbij kennisrijke leesmaterialen zichtbaar worden aanbevolen aan scholen?
Bijvoorbeeld via organisaties zoals Leerpunt voor de nieuwe minimumdoelen of zoals het Leesoffensief of Iedereen Leest voor leesbevorderingsinitiatieven.
We zijn daar vandaag al concreet mee bezig, precies om die duidelijkheid voor scholen te creëren. In opdracht van Leerpunt en met steun van de Vlaamse Regering heeft een onafhankelijke commissie van experten een kwaliteitskader en keurmerk voor leermiddelen ontwikkeld.
Uitgeverijen en andere ontwikkelaars zullen hun leermiddelen kunnen indienen bij Leerpunt. Die worden vervolgens beoordeeld door onafhankelijke experten. Alleen materialen die aantoonbaar voldoen aan de minimumdoelen én aan de wetenschappelijke kwaliteitscriteria van dat kader, zullen een keurmerk krijgen.
Wat heeft een leerkracht vandaag het hardst nodig op vlak van digitale ondersteuning?
Meer tijd, meer gerichtere en concrete vormingen, betere leermiddelen of een slimme integratie tussen deze drie?
Leerkrachten hebben niet meer tools nodig, maar meer houvast.
Digitale middelen werken alleen als ze goed ingebed zijn in de didactiek.
Slimme integratie tussen de drie is zeker nodig, maar vooral kennis is doorslaggevend: weten wanneer technologie helpt, en wanneer niet.
Hoe wilt u blijvende professionalisering van leerkrachten en teams verankeren?
Laat me eerst één misverstand uit de weg ruimen. Er wordt soms geprobeerd het debat zo te framen alsof ik leerkrachten niet zou respecteren of hen lui zou vinden. Ik ga wekelijks in scholen in gesprek met leerkrachten en directies. Ik zie mensen die met hart en ziel voor de klas staan en die het bijna persoonlijk nemen dat het onderwijs onder druk staat. Als die inzet er niet was, dan was ons onderwijs vandaag al verloren. Maar dat is niet zo. Die mensen staan er, elke dag, voor onze kinderen.
Net daarom vind ik blijvende professionalisering zo belangrijk. Vorming mag geen los moment zijn dat je één of twee keer per jaar organiseert en daarna weer loslaat. Als we willen dat ons onderwijs beter wordt, moet ook het leren van leerkrachten beter georganiseerd zijn.
Voor mij mag professionalisering dichter bij het klasgebeuren staan: via coaching, teamleren, samen lessen voorbereiden, best practices uitwisselen. Dat gebeurt vandaag vaak op eigen initiatief en te weinig structureel.
Externe partners kunnen daarbij ondersteunen, maar altijd in functie van wat scholen en leerkrachten nodig hebben. En de concrete uitwerking doen we niet van bovenaf, maar in overleg met de sociale partners.
Welke eigenschappen moet de leerkracht van de toekomst zeker hebben?
De leerkracht van de toekomst is en blijft in de eerste plaats een sterke professional.
Klasmanagement kan je aanleren, maar wat echt het verschil maakt, is diepgaande professionele kennis die groeit in en door de praktijk. Dat betekent: precies weten welke doelen leerlingen moeten bereiken, in welke volgorde ze dat best doen, en hoe die kennis samenhangt. Weten wat leerlingen al beheersen, wat nog ontbreekt, en vooral: wat je concreet doet wanneer een leerling het nog niet kent. We mogen niet altijd ervan uitgaan dat het vanuit het kind zelf gaat komen, we moeten doelgericht kunnen ingrijpen.
En ik verwacht zeker niet dat elke leerkracht alles alleen moet dragen. Want ik mag hier nu mijn droomeigenschappen die leerkrachten moeten hebben poneren, maar ik zou eigenlijk ook mijn droomeigenschappen van een onderwijsminister hieraan moeten koppelen: leerkrachten beter omringen. Met duidelijke doelen, betrouwbare kennis over wat werkt en ondersteuning die hen sterker maakt in hun kernopdracht.
Welke rol ziet u voor AI in Vlaamse klassen en welke garanties zijn nodig rond kwaliteit en privacy?
Scholen zijn een samenleving in het klein. Wat buiten de school gebeurt, komt onvermijdelijk ook de klas binnen. We kunnen dus niet doen alsof artificiële intelligentie niet bestaat. Integendeel: de impact van AI is enorm, maar zit vaak onderhuids.
Ik wil dit jaar daarom juist heel hard inzetten op AI. Ik wil onze scholen en leerkrachten nog meer handvaten geven zodat ze weten hoe ze met AI moeten omgaan. Via het kenniscentrum Digisprong geven we scholen nu al begeleiding waar het kan, maar we gaan dit jaar op dit vlak zeker een grote tand bijsteken.
Nu, bescherming tegen slechte invloeden van AI is één ding, er zijn ook veel opportuniteiten waar we vandaag nog niks mee doen. Ik ben overtuigd dat AI mogelijkheden biedt zowel in het leerproces als om bijvoorbeeld administratieve lasten te verminderen. Ik wil bekijken hoe we ‘goede” AI op een veilige en verantwoorde manier kunnen inzetten. Ik zal daarvoor de nodige expertise inroepen. De mens blijft voor mij wel alijd op de eerste plaats. Meer dan ooit zelfs. AI moet de mensen helpen, niet vervangen! Voor mij kan AI helpen bij differentiatie, oefening en feedback, maar het mag nooit het denken uit handen nemen. Leerkrachten blijven verantwoordelijk voor het leerproces.
Bent u bereid om te kijken naar duurzame modellen voor hulpmiddelensoftware?
Onderwijs blijft in de eerste plaats een sociaal gebeuren. Leren gebeurt in interactie met leerkrachten en medeleerlingen. Technologie kan dat ondersteunen, maar mag het nooit vervangen. Ik ben er niet voor om van kinderen robots te maken of om schermen het onderwijs te laten overnemen.
Net daarom ben ik bereid om samen met scholen en gespecialiseerde organisaties te kijken hoe kwalitatieve hulpmiddelensoftware duurzaam kan worden ingezet. Zo hebben we op de laatste ministerraad voor de kerstvakantie de BOOST testbeds goedgekeurd. BOOST is een project dat scholen helpt om digitale leermiddelen kritisch, veilig en kwaliteitsvol te gebruiken. Digitale tools worden getest in echte klasomgevingen, samen met leerkrachten, leerlingen, onderzoekers en EdTech-bedrijven. Zo wordt duidelijk welke toepassingen echt bijdragen aan leerwinst en bruikbaar zijn in de praktijk. Leerpunt brengt daarbij zijn kwaliteitskader in, zodat de evaluaties pedagogisch onderbouwd zijn. Het project wordt beheerd door VLAIO, loopt van 2026 tot 2028 en krijgt een subsidie van 1,2 miljoen euro.
Hoe kan diversiteit in klassen een troef worden in plaats van een extra zorg?
Diversiteit kan een troef zijn, maar alleen als ze vertrekt van wat ons verbindt. School is geen optelsom van achtergronden, maar een gemeenschappelijke plek met dezelfde kansen en duidelijke regels voor iedereen.
Leerlingen starten vandaag met verschillende rugzakjes: in taal, voorkennis en vertrouwdheid met schoolse verwachtingen. Als die verschillen niet van bij het begin worden aangepakt, wordt lesgeven moeilijker en daalt de leerwinst.
En het kan: ik heb scholen bezocht waar diversiteit werkt omdat ze inzetten op een stevige gemeenschappelijke basis: Nederlands als instructietaal, een kennisrijk curriculum en heldere regels die voor iedereen gelden. De lat ligt voor iedereen even hoog. Wie achterop raakt, krijgt gerichte ondersteuning, maar de verwachtingen worden niet verlaagd.
Maar onderwijs kan dit niet alleen. Ook ouders dragen verantwoordelijkheid. Kinderen moeten naar school komen, meewerken en grenzen respecteren. De rellen tijdens nieuwjaarsnacht tonen wat er gebeurt als jongeren te weinig duidelijke grenzen krijgen. Dat los je niet op door de verantwoordelijkheid altijd buiten het gezin te leggen.
Als scholen consequent zijn en ouders mee hun rol opnemen, krijgen we klassen waarin verschillen niet afremmen. Voor Vlaanderen, als kenniseconomie en samenleving, is het juist een troef wanneer meer jongeren effectief meekunnen en minder afhaken.
Welke boodschap geeft u graag mee aan leerkrachten met leerlingen met leerproblemen in de klas én die nog onvoldoende inzetten op een sterk leesbeleid?
Een sterk leesbeleid begint niet bij méér lezen, maar bij begrijpen wat leerlingen lezen. Lezen is in de kern een woordenschatverhaal. Als leerlingen minder dan ongeveer 98 procent van de woorden in een tekst begrijpen, dan haken ze inhoudelijk af, hoe gemotiveerd ze ook zijn.
Voor leerlingen met leerproblemen of leeruitdagingen is dat extra belangrijk. Als we daar alleen inzetten op meer leestijd, zonder systematisch te werken aan woordenschat en kennisopbouw, dan vragen we iets wat cognitief gewoon niet kan. Dat is ook wat onderzoek toont, bijvoorbeeld bij testen waarbij leerlingen beter scoren op leesbegrip over onderwerpen waar ze al kennis van hebben, zoals sport of geschiedenis.
Als scholen sterk zijn in hun basis, duidelijke verwachtingen hanteren en gericht ondersteunen waar nodig, dan creëert dat rust. Dan kunnen ouders gewoon ouder zijn, in plaats van voortdurend coördinator, advocaat of crisismanager te moeten spelen.
Kijkend naar 2030: hoe ziet een succesvol Vlaams onderwijs er volgens u uit?
Een succesvol Vlaams onderwijs in 2030 is voor mij een onderwijs dat opnieuw helder weet wat zijn kernopdracht is en daar ook in slaagt: ervoor zorgen dat elke leerling effectief leert en daarin vooruitgaat.
Dat begint bij kennis. Vlaanderen is en blijft een kenniseconomie. We hebben mensen nodig die kunnen denken, redeneren, toepassen en bijleren. Dat vraagt een stevige kennisbasis, zowel abstracte kennis als concrete. Niet iedereen moet hetzelfde worden, maar iedereen moet wel voldoende kennen en kunnen om zijn talenten te ontwikkelen en mee te draaien in de samenleving.
Succesvol onderwijs herken je aan de leerwinst. Dat werkt motiverend, voor leerlingen, maar ook voor ouders en leerkrachten. Leersucces geeft vertrouwen en zet een positieve spiraal in gang.
Ouders hebben een cruciale rol door de school hierin te ondersteunen. Door het belang van leren te erkennen en door duidelijke verwachtingen te stellen. Onze samenleving moet op haar beurt duidelijk maken dat inspanning loont, dat kennis waarde heeft en dat ons onderwijs een gezamenlijke investering is.